header

Categorie: Tegeltechniek

juli 7th, 2020 door Omnicol

Met dit heerlijke weer is het goed toeven op je (of een) terras. Ook buiten komen keramische en/of natuurstenen tegels steeds vaker voor. Ze zijn dan ook uitermate geschikt voor een duurzame en mooie afwerking van terrassen. Met enige wetenswaardigheden als parate kennis zal niets een langdurig ‘genieten’ in de weg staan.

Binnen is niet buiten
Een terrastegel krijgt heel wat te verduren. Nu de volle zon, straks weer wat regen en in de winter kans op vorst. Om met al deze sterk verschillende omstandigheden om te kunnen gaan zijn er speciale keramische tegels voor buiten ontwikkeld. Let hier als eerste goed op bij de aanschaf. Over het algemeen kun je stellen dat tegels voor binnen niet zomaar ook buiten kunnen worden toegepast! Belangrijkste verschillen zijn de dikte en de stroefheid.

Soorten tegels
Er worden over het algemeen twee soorten keramiek aangeboden. Buitentegels met een dikte van minimaal 2 cm (tegenwoordig steeds vaker 3 cm) en keramische tegels die af-fabriek zijn voorzien van een betonnen onderlaag. Deze tegels zijn dikker en zwaarder en de keramische laag is dunner.
Van 3 cm dikke tegels of de uitvoering met een betonnen laag wordt gezegd dat deze los in een gestabiliseerde zandlaag gelegd kunnen worden. Daarnaast is er natuurlijk is er ook natuursteen voor buiten, maar wij beperken ons hier nu even tot keramiek.

Tegelwerk is buiten onderhevig aan veel grotere temperatuurswisselingen dan binnen. Deze thermische spanningen leiden tot uitzetting van het tegeloppervlak. Hoe groter het tegelformaat des te minder voegen. Er moet dan dus meer aandacht worden besteed aan uitzettingsvoegen en de voegbreedte. De voegbreedte bedraagt idealiter 1% van de langste lengte van de tegel. Voor een tegel van 60×30 cm is dat dus 6 mm. Laat je dus niet leiden door een architect die misschien een kleinere voeg wil zien. Ook de kleur van de tegel beïnvloedt de thermische spanningen.

Opbouw
Over het algemeen zijn er twee technieken voor het leggen van tegels buiten:
1) Hechtende opbouw (tegels verlijmd)
2) Niet hechtende opbouw (tegels gelegd in een zandbed)

Daarnaast zijn er ook andere vormen van niet hechtende opbouw. Denk daarbij aan tegel-draag-systemen die er in vele varianten zijn. Soms zijn deze de beste uitkomst, omdat er bijvoorbeeld geen hechtende opbouw mogelijk is.

Stroefheid
Een goed terras is een veilig terras. Kies voor een ruwere tegel of eentje met een ruwere afwerking. Vermijd gladde oppervlaktes, vooral bij nat weer kan dit heel verraderlijk zijn. Bij tegels wordt de ruwheid aangeduid met de R-waarde. Hoe hoger die R, hoe beter de grip. R10 is goed, R11 beter. Deze stroefheid is buiten eerder nodig dan binnen. De tegel moet namelijk voorkomen dat je uitglijdt!

Aandacht voor de ondergrond
Let wel dat het een utopie is om de waterdichting af te laten hangen van het tegelwerk. Tegels in combinatie met voegen zijn nooit waterdicht en er bestaat altijd de mogelijkheid dat er vocht onder de tegels komt. Water dat bevriest zet uit, dus is er kans dat de voegen, of zelfs volledige tegels, gaan barsten. Om dit zoveel mogelijk tegen te gaan, moet op meerdere zaken gelet worden. Het belangrijkst is de mogelijkheid van de ondergrond om vocht af te kunnen voeren, hetzij door opname/drainage hetzij door een goede afvoer.

De ideale buitenondergrond is een ondergrond die water doorlaat (afhankelijk van wat er zich daar weer onder bevindt natuurlijk). Een drainagemortel met daaronder een goede drainagemat zijn daarom een mooi voorbeeld van een goede buitenondergrond. In plaats van een drainagemat kun je ook een voldoende dikke laag gestabiliseerd gebroken puin gebruiken. Er kan rechtstreeks op de drainagemortel verlijmd worden, liefst – omdat het buiten is – met een met 100% verlijming van de tegel met lijm. Het tweezijdig verlijmen (buttering-floating: ofwel de ondergrond én de tegel insmeren met lijm) is de beste manier.

Uiteraard leg je het geheel op minimaal 1,5 cm per meter afschot (van het huis af) en verwerk je, bij grote oppervlakken, een goot onder het tegelwerk.

Welke lijm en voeg?
De betere ‘flex’ tegellijmen bevatten harsen die zorgen dat de lijmlaag bepaalde spanningen (uitzetting en krimp) kan opvangen. Daarom zijn juist deze producten aan te bevelen voor buitengebruik. Maar enkel de lijm kan de klus niet klaren en het is daarom van belang in systemen te denken waar meerdere producten op elkaar zijn afgestemd. Dat begint bij de ondergrond, waarna er wordt gekeken naar de gehele opbouw van de vloer tot en met de voegmortel.
Ook de voegmortel moet afgestemd zijn op buitengebruik. En ook hiervoor geldt dat door krimp en uitzetting van de gehele vloer of alleen de tegel er altijd scheurtjes in het voegwerk kunnen komen. Mede daarom is de drainage van het buitentegelwerk zo belangrijk. Als eerste doen we er alles aan door met de gebruikte producten het indringen van vocht te beperken tot een minimum. Maar als het vocht er dan toch doorheen gaat, dan moet het wel goed zijn weg kunnen vinden.

Alvast een hele fijne zomer en geniet van je terras!!

© OMNICOL – juli 2020

Geplaatst in Tegeltechniek

mei 25th, 2020 door Omnicol

Sinds enkele jaren zijn er een aantal systemen op de markt gekomen die het ‘makkelijker’ maken om een volledig vlak betegeld oppervlak te krijgen. Deze, samenvattend benoemd als ‘nivelleersystemen’, worden door diverse merken aangeboden en zijn populair bij zowel de vakman als de doe-het-zelver.

Kennen we van vroeger nog de tegelkruisjes als hulpmiddel voor de klusser, zo zien we nu dat deze nivelleersystemen meer en meer worden toegepast, zelfs door de meest ervaren tegelzetters.

Door het plaatsen van een kunststof voetje onder de tegels en het gebruik van wiggen die op spanning gebracht worden, kunnen de hoeken van aangrenzende tegels worden opgespannen zodat een gladde bovenoppervlakuitlijning ontstaat. Deze systemen zijn handig in combinatie met de komst van tegels van steeds groter formaat waar de traditionele nivelleringsmethoden, zoals het positioneren met een rubberen hamer, minder effectief zijn. En we geven je het te doen: het vooruitzicht een net in de lijm gelegde grote tegel op te tillen om extra materiaal toe te voegen wordt steeds moeilijker en leidt al snel tot vervuiling.

Bijna alle bekende systemen gebruiken een plastic poot met voeten die onder de onderkant van de tegel, soms in de hoeken en soms langs de zijkanten worden aangebracht. Door een opening wordt een wig geschoven die met een tang op spanning gebracht wordt. Door druk uit te oefenen worden de aangrenzende tegels opgetrokken om gelijk te komen met het bovenoppervlak. Dit systeem minimaliseert ongelijkheid tussen aangrenzende tegels. Nadat de tegellijm is uitgehard, worden de wiggen en de uitstekende delen verwijderd. Een deel van het kunststof blijft onder de tegel aanwezig.

Het klinkt allemaal makkelijk en optisch geeft het inderdaad een fantastisch resultaat. Toch zijn er belangrijke aandachtspunten als je met zo’n systeem aan de slag gaat. Het kan namelijk ook problemen opleveren die niet 1-2-3 zichtbaar zijn maar op termijn aan het licht komen. Hoe dan?

Opvallend is dat na oplevering en daar waar deze systemen zijn toegepast vaak holklinkende tegels worden waargenomen, willekeurig verspreid over het gehele tegelvlak. Dit kan verschillende oorzaken hebben.

Steeds vaker worden snelverhardende lijmen gebruikt (klasse F) in combinatie met dichte tegels op dichte of weinig water absorberende ondergronden. Tijd is immers geld en we moeten vooruit!

De verkorte open tijd van deze lijmen opent de mogelijkheid om de hechting met de tegels te verstoren. De opwaartse (of neerwaartse) druk van het nivelleersysteem zal de hechting van de lijm waarschijnlijk verzwakken, omdat deze wordt uitgeoefend terwijl de afbinding/droging plaatsheeft.
Drie verschillende ‘onthechtingen’ kunnen optreden: tussen tegel en lijmlaag, in de lijmlaag zelf en tussen lijmlaag en ondergrond.
Het falen in adhesie is meestal wijdverbreid maar willekeurig en vaak zien we onthechting van de lijm aan de tegel zelf. We kunnen niet (altijd) meekijken tijdens de verwerking, maar een oorzaak kán zijn dat er te laat spanning op de tegels wordt gezet om ze vlak te trekken, waardoor de lijm al aan het uitharden is en de lijmverbinding wordt verbroken. De lijm is dan zijn plastische fase al voorbij.

Open tijd van een lijm staat keurig aangegeven in alle documentatie, maar is in deze niet leidend. Belangrijker is het om naar de corrigeertijd te kijken.
De instructies van de nivelleersystemen vermelden vaak niet wat de maximale variatie in dikte of tegeldikte is die kan worden opgevangen. Is 1 mm acceptabel, maar 2 mm niet? Het is aan te bevelen om rekening te houden met de te gebruiken lijmlaagdikte om ongelijkheden op te vangen zonder enige nadelige invloed op de hechtsterkte.

Hoe doe ik het nu wel goed?
Logica en ervaring geven aan dat er een tijd is waarna verstoring van een nieuw aangebrachte tegellijm een negatieve invloed heeft op de uiteindelijke, door de tegellijm bereikte, sterkte.
Wij willen graag navolgende richtlijnen voor het gebruik van dit soort systemen meegeven:

  • Zorg voor een voldoende dikke lijmlaag. Dubbele verlijming is aangeraden (zowel de ondergrond als ook de achterzijde van de tegel voorzien van lijm).
  • Voer de nivellering uit nadat er niet meer dan een paar tegels zijn gelegd. M.a.w. zo snel mogelijk nadat de tegel wordt gelegd.
  • Let op bij snel verhardende lijmen, deze zijn nog gevoeliger en daarbij moet je nog sneller handelen.
  • Pas het systeem zo gelijk mogelijk op alle tegels in het gehele tegelvlak verdeeld toe.
  • Gebruik deze systemen niet om een niet vlakke ondergrond (of zeer ongelijkmatige tegels) te compenseren. Start altijd op een goede, vlakke basis.
  • Wees realistisch en bedenk dat hele grote afwijking met deze systemen niet kunnen worden opgelost. 2 tot 3 mm is echt wel het maximale.
  • Verwijder de wiggen pas nadat de lijm volledig is uitgehard. Doe dit niet te snel.
  • Tip: gebruik een nivelleersysteem met een breekpunt aan de onderzijde van de clips, zodat er geen resten in de voeg achterblijven.

Wederom is voorkomen beter dan genezen. Al lijkt het een makkelijk hulpmiddel voor een optisch perfect resultaat, toch moet je even goed nadenken bij het gebruik ervan. Als de ‘spelregels’ goed worden toegepast, hoeft het niet nadelig te zijn en krijg je op deze manier inderdaad een perfect vlakke vloer als eindresultaat.

En je weet het: in geval van twijfel, aarzel niet om één van onze adviseurs te bellen.

© OMNICOL – mei 2020

Geplaatst in Tegeltechniek

april 14th, 2020 door Omnicol

Goed nieuws: ja dat kan! Betegelen over bijvoorbeeld vloerplanken is mogelijk, door mits aan een aantal voorwaarden te wordt voldaan. Bij renovatie van wat oudere woningen komt men nogal eens hout tegen als ondergrond. Wanneer we die willen afwerken met een mooie tegelvloer, hoe gaan we dan daarmee om?

Rechtstreeks betegelen op houten vloeren wordt meestal niet aanbevolen, omdat de beweging en vervorming die hout kan verdragen niet gevolgd wordt door de (starre) tegels. Hout is buigzaam en kan sterk reageren op wijzigende vochtgehaltes, terwijl de tegels niet kunnen meebuigen. Dit kan dan leiden tot ongewenste scheuren en breuken. Tegelen op hout ligt dus niet zo voor de hand en toch is het mogelijk. Rechtstreeks en zonder enige verdere voorbereiding tegels plakken op houten vloeren wordt wél sterk afgeraden.

Voorbereidende werkzaamheden
De algemene regel voor een houten ondergrond is: zo klein mogelijke tegels met een zo breed mogelijke voeg. Dit in contrast met de trend naar steeds grotere tegels. Bewegingen in de ondergrond kunnen in basis alleen in de voegen worden opgevangen. Een technisch uitgangspunt is: de doorbuiging bij volle belasting mag niet meer zijn dan L/500 (waarbij L = de lengte van het bouwdeel). Als we hiervan af willen wijken en toch graag die mooie 60×60 tegel willen leggen zullen we dus maatregelen moeten nemen om de ondergrond te verstevigen.

Verstevigen betekent wel een toename van de vloerdikte. Ga daar niet te licht aan voorbij. De constructie, vaak een houten balklaag, moet het aankunnen (ook toename van gewicht) en je moet ook de deur(en) nog open kunnen krijgen. Vaak gebruikt men een zogenaamde zwaluwstaart-plaat met (lichtgewicht)beton en wordt hierop een dunne cementdekvloer gelegd. Zo elimineer je de doorbuiging en vervallen alle beperkingen die aan een houten ondergrond werden gesteld.

Het is ook mogelijk de tegelvloer te ontkoppelen van de ondergrond. Op het hout wordt dan eerst een ontkoppelingsmat aangebracht met daarover eventueel een laag egaline waarop de tegels gelijmd worden. Hierdoor krijgen zowel de ondergrond als het tegelwerk los van elkaar de mogelijkheid om enigszins uit te zetten en/of te krimpen.
Weer een andere oplossing is het aanbrengen van plaatmateriaal dat geschikt is voor een afwerking met tegels. Cement-vezelplaten kunnen dan een oplossing bieden. Maar let goed op de ‘werking’ van deze platen onder de invloed van vocht, daar zit best verschil in. Een geëxtrudeerde polystyreen-hardschuim plaat is ook een mogelijke oplossing en ideale basis voor tegels.

Hout en vocht
Punt van aandacht is het voorkomen van vochtdoorslag naar de ondergrond. Hout neemt snel vocht op en zal daardoor van vorm veranderen (uitzet en krimp). Dus bij iedere behandeling verdient zowel de hoeveelheid vocht alsook de droging extra aandacht. Het hout moet niet vochtig (kunnen) worden!

Vaak wordt rechtstreeks op het hout en voordat de volgende laag erop komt een vochtwerende barrière in de vorm van een folie of coating aangebracht.

Let er bij de keuze van de tegellijm op dat je kiest voor een flexlijm. Deze lijmen kenmerken zich door een verhoogde hoeveelheid hars waardoor de lijm enigszins flexibel is en dus een geringe vervorming kan weerstaan. Ook is de hechting van dit soort lijmen vele malen beter.

Gezien de vochtgevoeligheid van een houten ondergrond kan men de werkwijze zoals bij ‘waterdicht tegelwerk’ het beste ook hier toepassen. Dan wordt er met iedere aangebrachte laag rekening gehouden met een bepaalde weerstand tegen vocht. Telkens gericht op het voorkomen van vochtdoordringing.

Probeer afwijkende verbanden (anders dan tegelverband) te vermijden. En let op bij de keuze van tegels: een te geringe dikte is het opzoeken van grenzen en vergroting van risico’s. Een dikkere tegel is nu eenmaal steviger wordt daarom eerder aangeraden voor deze toepassing.

Voegen
Ook de afwerking van de voegen verdient extra aandacht. Begin niet te snel met voegen, wacht juist wat langer. Daarmee geef je de tegellijm extra de kans om goed te drogen. De meest flexibele voeg die we kunnen toepassen zijn kit-voegen, maar dat is ondoenbaar, esthetisch niet wenselijk en ook minder duurzaam in het gehele vlak. De aansluitingen bij hoeken en vloer-wandaansluitingen dienen wel degelijk ‘gekit’ te worden. Voor de normale voegen in het vlak dient ook weer een zo flexibel mogelijk materiaal te worden gebruikt. Vaak zijn dit 2- of 3-componentproducten, waarbij het voegmateriaal aangemaakt wordt met een speciale vloeistof. Let op dat deze voegmortel dan ook wat kleveriger is en daardoor moeilijker te reinigen.

Samenvattend kunnen we stellen dat met het in acht nemen van de juiste aandachtspunten het goed mogelijk is om tegels aan te brengen op houten vloeren, ook bij bijvoorbeeld renovatieprojecten.

Succes met de klus!

En mocht je toch nog vragen hebben, aarzel dan niet om de Omnicol-vakman te contacteren. Zoals gewoonlijk staan wij samen voor de klus en gaan we voor het beste resultaat!

© OMNICOL – maart 2020

Geplaatst in Tegeltechniek

januari 15th, 2020 door Omnicol

Ken jij ook van die voorbeelden? Een mooie gemetselde gevel, afgewerkt met een plint in blauwe hardsteen. Echter, bij kouder en vochtiger weer kun je precies zien waar er gelijmd is en waar niet. Vaak zijn het de ‘dotten’ lijm (of mortel) die zich aftekenen. Er zijn trouwens ook gevallen bekend waarbij dit binnenshuis voorkomt op hele mooie natuurstenen vloeren… Maar eerst even over die gevel. Kan dat niet beter?

Op zich een interessant fenomeen dat zich hier afspeelt. Er zijn (misschien niet echt verrassend) meerdere oorzaken te benoemen. Wat zich aftekent, de doorslag van vocht, is in eerste instantie het gevolg van een zo genoemde ‘koudebrug’. Dat wil zeggen dat bij een onjuiste detaillering en uitvoering vanuit de binnenconstructie doorslag ontstaat door direct contact met de opbouw. Je ziet dit ook wel eens bij metselwerk wanneer de isolatie niet goed is aangebracht. Deze situatie is niet helemaal hetzelfde qua opbouw, maar het is een soortgelijk fenomeen. Hierover straks iets meer, maar een eerste oorzaak is benoemd.

Anderzijds is de kwaliteit van de natuursteen ook een belangrijke factor hierin. Blauwe hardsteen is een generieke naam die gehanteerd wordt voor graniet. Hierin zijn vele (kwalitatieve) verschillen. De goedkopere blauwe hardsteen komt vaak uit China of Vietnam en eerlijkheid gebied te zeggen dat deze kwalitatief toch echt minder is dan de bekende ‘blauwe hardsteen uit Henegouwen’ ofwel een Belgisch kwaliteitsproduct. Dit verschil komt als eerste tot uitdrukking in de prijs. Maar goedkoop is duurkoop. De betere kwaliteiten zijn namelijk veel minder poreus en dus ook minder gevoelig voor eventuele doorslag. Overigens zijn gezoete en gepolijste afwerkingen ten zeerste af te raden voor buitentoepassingen.

Een mogelijk tweede oorzaak is dus ook bekend: de porositeit van de natuursteen. En zoals je weet is het een natuurlijk product en kan de kwaliteit altijd een bepaalde variatie hebben. Tegelijkertijd is dat dan ook weer de schoonheid van natuursteen, geen twee tegels of elementen zijn hetzelfde. Bij keramiek, dat fabrieksmatig is gemaakt, speelt dit veel minder. Vandaar dat we het hier specifiek over natuursteen hebben.

Deze twee oorzaken wetende, komt het neer op de uitvoering. Wat moet je doen om doorslag of aftekening te voorkomen? Waar moet je extra goed op letten?

  1. Is er sprake van doorslag in combinatie met een hechtende opbouw (direct contact)? Is er een luchtspouw? Of is er gebruik gemaakt van een geschikt ontkoppelingssysteem?
    – Direct contact in combinatie met een hechtende opbouw verhoogt de kans op doorslag.
    – Een luchtspouw is niet altijd mogelijk.
    – Ontkoppelingssystemen zorgen voor een eenzijdige verdamping.
  2. Is de lijm aangebracht op het volledige vlak? In zogenaamde ‘dotten’ of in grove lijmrillen?
    – In deze specifieke toepassing is aan te bevelen om het gehele oppervlak goed in te smeren met lijm, ook wel volvlakverlijmen genoemd. Dubbele verlijming biedt hier de uitkomst: voorzie zowel de ondergrond als het element van een dikke lijmlaag. Dit heeft meerdere voordelen: overal is evenveel contact en er kan geen vocht tussenkomen dat weer zou kunnen bevriezen (met vorstschade als gevolg). Ook geeft de dikkere lijmlaag normaal voldoende mogelijkheid niveauverschillen op te vangen en de elementen goed te positioneren. Voor de verlijming van vlekgevoelige natuursteen is het verstandig om een witte tegellijm te gebruiken.
  3. Is er een voorstrijkmiddel toegepast? En zo ja, waar?
    Door een voorstrijkmiddel aan te brengen op zowel de ondergrond als de rugzijde van het te verlijmen element wordt een extra barrière gevormd die doorslag moeilijker maakt. Het verdient dus de aanbeveling om dit ALTIJD te doen. Onze TP omnibind is hiervoor het geschikte product.

Bovenstaande drie punten zijn redelijk essentieel. Als deze goed worden ondervangen, zal het een mooi resultaat geven en zal je geen aftekening of verkleuring kunnen waarnemen.

En hoe zit het dan bij binnenvloeren?
In grote lijnen is geldt voor binnenvloeren hetzelfde fenomeen, alleen de koudebrug-variant kunnen we uitsluiten. Bepaalde poreuzere soorten natuursteen zijn vlekgevoelig en verdienen dus extra aandacht. Niet alleen bij het gebruik van een vloer, maar ook al tijdens de plaatsing ervan. Als de natuursteen bijvoorbeeld op vloerverwarming wordt geplaatst dan is verdamping van het in de lijm aanwezige vocht alleen mogelijk langs de bovenzijde. De lijm/mortel wordt immers geplaatst op een dichte ondergrond, folie of isolatie. Dus ook hier is een volvlakverlijming (100% contact) door dubbele verlijming EN het goed voorbehandelen van de elementen de aangeraden werkwijze. Het WTCB publiceerde hierover ook de TECHNISCHE VOORLICHTING 220.

Mocht je toch nog vragen hebben, aarzel dan niet om de Omnicol-vakman te contacteren. Zoals gewoonlijk staan wij samen voor de klus en gaan we voor het beste resultaat!

© OMNICOL – januari 2020

Geplaatst in Tegeltechniek

september 12th, 2019 door Omnicol

We zien steeds meer dat gevelstenen (baksteen of ander materiaal) op vernieuwende wijze worden verwerkt. Ook de materiaalkeuze zelf is aan ‘mode’ onderhevig. Zo zien we steeds meer langere en dunnere stenen verschijnen en ook het kleurenpallet gaat met de tijd mee.

Nu metselen we al zolang we ons kunnen herinneren, een gekende techniek die overal te zien is. De laatste 15 jaar is daar ‘lijmen’ als aanvullende verwerkingsmethode bij gekomen. En ook daarin zijn er weer een paar verschillende manieren ontstaan. Deze lichten we even kort toe, zodat je het kaf van het koren weet te scheiden.

Wat is lijmen, in een notendop?

Het woord ‘lijmmortel’ zul je (nog) niet terugvinden in de Dikke Van Dale. Als we zelf er dan een definitie voor zouden moeten schrijven komen we op het volgende:
Een mortel bestaande uit zandcement (heel fijn, gekristalliseerd zand), een waterhoudend additief en watergedragen polymeren, geschikt voor het verlijmen van bakstenen.
De term lijmen is enigszins misleidend. Er wordt nog steeds gewerkt met mortel op basis van cement. Verder verwijzen we graag naar onze eerdere blog over de gelijmde gevel, waarin de techniek uit de doeken wordt gedaan.

Ontstaan
Bakermat van het ‘verlijmen’ is de verwerking van binnenmuurstenen geweest. Gasbeton (nu cellenbeton) en later kalkzandsteen waren materialen die door hun maatvastheid en modulariteit goed te lijmen waren. Daarmee waren de lijmmortels geboren en werd er kwalitatief een grote sprong gemaakt: betere hechting en sneller werken.
Eigenlijk is de steenindustrie de vragende partij geweest om te kijken of ook gevelstenen te verlijmen zouden zijn. Door de enorme variëteit aan soorten en maten vooralsnog niet de makkelijkste opgave. Maar uiteindelijk is het toch gelukt. En met succes.

Vandaag de dag
Lijmmortels kenmerken zich door een complexe samenstelling die het mogelijk maakt gevelstenen met een zo dun mogelijke voeg te verwerken. Het achteraf voegen (of in één handeling doorstrijken) is hierbij overbodig. Daarnaast wordt er een kwalitatieve sprong voorwaarts gemaakt. Het toepassen van dunnere voegen betekent ook meer stenen per vierkante meter: je ziet minder voeg en de gevel krijgt de kleur van de steen. Deze kleurintensiteit en de verhoogde duurzaamheid zijn vaak bewuste redenen om voor gelijmde gevelsteen te kiezen. De sterkte van de verbinding maakt het zelfs mogelijk om prefab metselwerk te maken of in sommige gevallen lateien uit te sparen. Daarnaast zorgt een juiste uitvoering voor een zeer sterk verminderde kans op zogenaamde uitbloeiingen (witte uitslag) van het metselwerk.




Dunmortels zijn van een iets andere orde. Ook deze laten het toe om gevelstenen met dunnere voegen te verwerken maar bezitten niet alle onderscheidende eigenschappen die een lijmmortel wel in zich heeft. De verwerking lijkt meer op die van een ‘gewone’ metselmortel en bijvoorbeeld de hechtsterkte en waterwerendheid zijn wezenlijk anders dan bij lijmen. Het is een alternatief dat, zeker optisch, een vergelijkbaar resultaat zal geven. Maar kwalitatief mist het net een paar kenmerken ten opzichte van het gebruik van lijmmortel. Daar waar een wat dikkere voeg wenselijk is (bijvoorbeeld bij zeer onregelmatige stenen) en hechting en waterhuishouding iets minder van belang zijn is het echter een prima alternatief.

Gelijmde baksteen is, vooral in België, niet meer weg te denken uit het hedendaagse straatbeeld. Spreek gerust Omnicol aan als je plannen hebt in die richting en nog met vragen zit. Als pionier van het eerste uur hebben zij alle kennis in huis om perfect te adviseren welke -lijmmortel- voor jouw toepassing het meest geschikt is en zo ieder project tot een succes te maken.

© OMNICOL – augustus 2019

Geplaatst in Tegeltechniek

juni 11th, 2019 door Omnicol

Wie kent ze niet? Die onderbrekingen van grotere tegelvlakken door een voeg gevuld met kit of een ingewerkt profiel? Of hoek- en wand-vloeraansluitingen voorzien van een kitnaad. Waarom zitten die er nu? Is dit echt nodig?

Dat zijn goede vragen en het antwoord is in 99 van de 100 gevallen: ja, helaas is dit nodig. Constructie-technisch is er vaak een bittere noodzaak om deze ‘dilataties’ aan te brengen. Maar met een goede uitvoering kan dit heel netjes worden uitgevoerd en voorkomen worden dat het optisch als storend wordt ervaren. Laten we iets dieper ingaan op de techniek en de reden waarom, wellicht dat de acceptatie dan ook makkelijker wordt.

De vrije vertaling van dilatatievoeg is bewegingsvoeg. In Nederland is er een prachtig document gemaakt, de URL (afkorting van uitvoeringsrichtlijn) 35-101 die alle facetten van het plaatsen van tegels beschrijft. Eigenlijk zou dit voor iedere tegelzetter verplichte literatuur moeten zijn. En handig is dat er controlelijsten in zijn opgenomen die voor iedere vakman van toepassing komen.

In België, zijn er vanuit het WTCB duidelijke richtlijnen opgesteld die deze materie benoemen. Zie onder andere publicatie 2010/03.12.

Een afwerking met tegels is een hechtende opbouw en daarmee is het van belang rekening te houden met wat er allemaal in de ondergrond (daar waarop wordt gehecht) kan gebeuren. Als de ondergrond kan krimpen, uitzetten, bewegen, doorbuigen of iets dergelijks kun je begrijpen dat een stijf materiaal als een tegel moet kunnen ‘buigen’ want anders wordt het ‘barsten’. Dat is even heel kort door de bocht geredeneerd.

Allereerst zijn er richtlijnen voor de aan te houden voegbreedtes. Bij het bepalen daarvan dient rekening gehouden te worden met de te gebruiken tegelsoort en voegmortel.

 minimale voegbreedte*

 

Minimaal voegbreedte

Vloertegels

3 mm

Wandtegels

2 mm

* Genoemde minimale voegbreedten zijn richtwaarden, in afstemming met de lijmleverancier kan hiervan afgeweken worden.

Randvoegen dienen voldoende breed te zijn voor het aanbrengen van de betreffende voegvulling. Indien deze voegen gekit worden, geldt dat bij de voegen het aansluitend tegelwerk in geen geval koud mag aansluiten.

Dilataties
Al in de ontwerpfase dient rekening gehouden te worden met het voorzien van dilatatievoegen in zowel de onderliggende constructieonderdelen als in het tegelwerk zelf. Dilataties in de ondergrond dienen door architect, constructeur of de (hoofd)aannemer te zijn bepaald. De specificatie van dilatatievoegen moet de aanduiding van het type, materialen en constructie, afmetingen (breedte en diepte), positie bevatten. De tegelzetter dient dilataties die aanwezig zijn in de ondergrond door te zetten in het tegelwerk recht boven de aanwezige dilataties.

Algemene richtlijnen

  • Zwevende of niet-hechtende dekvloeren mogen geen L-vorm hebben of een breedte die plaatselijk wordt versmald zonder dat hiervoor dilataties zijn aangebracht.
  • Een zwevende of niet-hechtende cementgebonden dekvloer heeft geen groter veld dan 80 m² en de langste zijde bedraagt ten hoogste 10 m.
  • Een zwevende of niet-hechtende cementgebonden en/of calciumsulfaat gebonden gietdekvloer heeft een afmeting van ten hoogste 400 m² en, indien voorzien van vloerverwarming, zijn de diagonalen van het vloerveld maximaal 50 m.
  • Dilataties dienen te zijn doorgezet in eventuele vloerverwarmingsvelden. De vloer moet rondom voorzien worden van kantstrook/dilatatie band (ook langs kozijnen en leidingen).
  • De zwevende of niet-hechtende dekvloer dient ten minste 7 mm vrij te liggen van alle aangrenzende wanden of obstakels.

De uitvoering
De dilataties dienen te worden uitgevoerd met afdichtingsmateriaal dat vervorming kan opnemen en zal normaal gezien zijn gespecificeerd. Dit dient te worden aangebracht op de plaats zoals overeengekomen. Dilataties uit onderliggende constructie(lagen) dienen door de tegelzetter altijd te worden doorgevoerd tot de bovenkant van het tegelwerk.

  • Waar in de ondergrond twee verschillende materialen op elkaar aansluiten moet een dilatatie worden aangebracht tot in het bovenliggende tegelwerk. Deze dilatatievoeg dient tenminste 4 mm breed te zijn.
  • Alle in- en uitwendige hoeken, aansluitingen alsmede dilatatievoegen moeten worden vrijgehouden van tegels en voegmateriaal (4 – 5 mm wordt aanbevolen maar is afhankelijk van de breedte van de tegelvoeg).
  • Inwendige hoeken kunnen worden afgekit met een blijvend elastische voegkit, eventueel in combinatie met een primer.

Uitwendige hoeken kunnen op verschillende manieren worden afgewerkt.  In uitwendige hoeken mogen geen koude voegen (ongevulde voegen) voorkomen. Indien geen afspraken zijn gemaakt dient de voeg met kit gevuld te worden. Als alternatief voor kit kunnen voorgevormde profielen gebruikt worden. Maar best verifieer je dit vooraf even met de opdrachtgever om iedere discussie uit te sluiten.

Welke typen (dek)vloeren kunnen we onderscheiden?
Het type ondergrond is mede bepalend voor hoe en wat voor dilataties aangebracht worden, vandaar even een uitleg over de verschillende soorten die we in de bouw zoal tegen komen. Hierbij wordt er een onderscheid gemaakt tussen hechtende, niet-hechtende en zwevende dekvloeren. Om een duurzame hechting met de ondergrond te bereiken, dient men de aard en de voorbereiding alsook de samenstelling en de uitvoering van de dekvloer weldoordacht te kiezen. 

1. Hechtende dekvloer

Hechtende dekvloeren kunnen enkel uitgevoerd worden op stabiele, voldoende cohesieve, draagvloeren die vrij zijn van actieve scheuren. Vóór de uitvoering van de dekvloer moet de ondergrond volledig stofvrij gemaakt worden en ontdaan van cementsluier (eventueel door stralen). Een voorbeeld van een hechtende vloer is bijvoorbeeld gestorte beton in dikkere of dunnere lagen die voorzien zijn van wapeningsnetten.

2. Niet-hechtende dekvloer

Wanneer er tussen de dekvloer en de draagvloer een scheidingslaag (bv een folie) voorzien wordt, hecht de dekvloer nergens aan de ondergrond. Bij niet-hechtende dekvloeren zijn omtrekvoegen, en eventueel ook uitzetvoegen, aanbevolen aangezien de dekvloer onder invloed van vocht en warmte bewegingen kan ondergaan. Om elk contact tussen de dekvloer en de vaste bouwdelen te vermijden, voorziet men omtrekvoegen en uitzetvoegen ter hoogte van deuropeningen en bij grote oppervlakken (groter dan 40 m² voor verwarmde vloeren en groter dan 50 m² voor niet-verwarmde vloeren) of grote lengten (langer dan 8 m). Men tracht bij de positionering van de uitzetvoegen zo veel mogelijk rechthoekige velden te vormen.

3. Zwevende dekvloer

Dit dekvloertype wordt toegepast wanneer er onder de dekvloer een thermische- en/of akoestische-isolatielaag voorzien werd. Doordat de dekvloer aangebracht wordt op een min of meer samendrukbare isolatielaag, kan hij bepaalde bewegingen ondergaan en dient hij voorzien te worden van verdeelvoegen.

Vóór de plaatsing van de zwevende dekvloer moet men erop toezien dat de isolatielaag vlak is en vrij van uitstekende randen die de bewegingen van de dekvloer op de scheidingsfolie boven de isolatie kunnen verhinderen.

Al met al best wel weer een flinke brok aan theoretische kennis die hieraan ten grondslag ligt. De bepaling hoe en waar zou je als uitvoerende partij het beste overlaten aan constructeurs. Maar geef wel als vakman aan dat jij weet dat ze moeten worden opgenomen in het ontwerp, mochten deze ‘dilataties’ nog niet zijn opgenomen. Hiermee geef je blijk van vakkennis en je voorkomt er schades en mogelijke conflicten mee! Iedereen blij dus.

Succes.

© OMNICOL  juni 2019

Geplaatst in Tegeltechniek

april 23rd, 2019 door Omnicol

Voordat je tegels op vloeren of tegen muren gaat plaatsen, moet de tegellijm gelijkmatig correct worden aangebracht. Dit klinkt makkelijk en iedereen denkt dit deel wel te beheersen. Toch zijn er hierover genoeg details te benoemen die een wezenlijke invloed hebben op het eindresultaat. Daarom een extra woordje van uitleg bij de ‘standaardzinnen’ die je hierover zoal tegenkomt in de literatuur en op de productverpakkingen

Uitgangsprincipes
Het allerbelangrijkste is het contactoppervlak, ofwel hoeveel procent van de lijm effectief is verbonden met de tegel EN de ondergrond. Hiervoor hebben we normen afgesproken waaraan een betegelde vloer of wand zou moeten voldoen. Daarbij wordt verschil gemaakt tussen binnen of buiten geplaatst tegelwerk.

Buiten kun je je voorstellen dat er een 100% vulgraad (ofwel contact) moet zijn tussen tegel en ondergrond. De reden laat zich raden. Naast het vervelende hol klinken van niet opgevulde ruimtes kunnen deze zich buiten vullen met vocht dat op zijn beurt kan bevriezen. En dat geeft schade hetgeen we niet willen. Deze 100% geldt zowel voor de wand als de vloer.

Bij binnenwerk volstaat 80% contact, alhoewel wij ook hier voor de vloer altijd aanraden om voor 100% te gaan. Bij kant-en-klare pasteuze lijmen die alleen binnen en op de wand kunnen worden gebruikt, volstaat 65%. Dit heeft een specifieke reden: deze lijm wordt pas hard als hij met lucht in contact komt. Later hierover meer. In de URL-35-101 staat een tabel met iets afwijkende waarden, dit komt omdat die 100% in de praktijk vaak moeilijk bereikbaar (en controleerbaar is).

 Tabel 5; Minimale contactoppervlak¹

 

Minimaal lijmcontactoppervlak

Vloertegelwerk

80%

Vloertegelwerk (dubbelzijdige verlijming en vloeibedlijmen)

95%

Wandtegelwerk

65%

¹ Van alle tegels in een tegelveld mag 5% een mindere contactoppervlak hebben, maar nooit een contactoppervlak van 15% minder dan het minimale lijmcontactoppervlak van de tegel. Bij deze tegels moet de hechtlaag ook gelijkmatig zijn verdeeld over het tegeloppervlak.

Een tegel kan aan de legzijde vlak of geprofileerd zijn. Deze mate van vlakheid bepaalt twee zaken: welke lijm gebruiken we het beste en met welk gereedschap breng ik de lijm aan. Hetzelfde gaat ook op voor de ondergrond: de mate van vlakheid (of tegengesteld: mate van oneffenheid) bepalen dit dus ook. Op de lijmkeuze gaan we nu niet in, we praten hier namelijk over het gereedschap!

Vele soorten en modellen lijmkammen
Er is een oerwoud aan lijmkammen beschikbaar, dus is een (goede) keuze niet altijd eenvoudig. Herkenbaar is waarschijnlijk de typering 6x6x6. Deze drie getallen staan voor: 1. Afstand tussen de tanden 2. Diepte van de tanden 3. Breedte van de tanden

Deze lijmkam wordt tijdens het uitsmeren van de lijm enigzins schuin gehouden. Het effectieve resultaat zal dus een lijmril zijn van zo’n 4 mm hoogte en 6 mm breed die 6 mm uit elkaar staat. Dit zijn kammen met vierkante vertandingen, maar er bestaan ook driehoekige, halfronde of schuine kammen. Zeer veel keuze dus.

 

De lijm moet altijd gelijkmatig verdeeld worden over het oppervlak en je moet voldoende lijm aanbrengen, zodat de tegels vlak liggen en voldoende contact met de lijm hebben. Het laat zich dus raden dat grote tegels een dikkere lijmlaag nodig hebben en kleinere tegels een dunnere laag. Dus onthoudt: grote tegels, grovere lijmkam, meer lijm opbrengen. Uitzondering op deze regel zijn de dunne, keramische platen met een dikte van ca. 3 tot 6 mm. Hiervoor gebruik je een lijmkam met een vertanding van 6x6x6 mm. Bij pasteuze lijmen worden juist lijmkammen geadviseerd waarbij de tanden wat verder uit elkaar staan, zodat er juist wél lucht tussen de rillen achterblijft. Omdat dit wandwerk is, kan dat prima en de lijm heeft de lucht nodig om goed te kunnen uitharden/drogen.

De verwerking  
Zorg er altijd voor dat de lijm in een rechte rillen wordt aangebracht. Onderzoek laat zien dat in bogen of cirkels aangebrachte lijm zeer nadelig zijn voor het contact. Er wordt met deze werkwijze lucht ingesloten en dus nooit een optimaal contact bereikt. Bij wanden adviseren wij bovendien de lijmrillen horizontaal (en ook recht) aan te brengen, omdat daarmee wordt vermeden dat eventueel vocht dat achter de tegels mocht komen volledig vrij naar beneden kan lopen.

“Plaats binnen de opgegeven open tijd na het opbrengen van de lijm de tegels of elementen met een licht schuivende beweging en druk ze stevig aan. Bij warm weer of intensieve ventilatie kan de open tijd korter zijn.” Een stuggere lijm laat zich moeilijk indrukken, dus breng nooit teveel lijm in één keer aan op de ondergrond. Pastalijm droogt door contact met lucht en poederlijm verhardt door de reactie van haar componenten. De schuivende beweging drukt de rillen plat en zorgt voor optimaal contact. Een tegel recht neerleggen, niet schuiven en alleen maar kloppen zorgt ervoor dat er lucht onder blijft zitten.

“De tegellijm moet in een zodanige laagdikte aangebracht worden, dat ook bij zwaar geprofileerde tegels voldoende contact ontstaat tussen tegel en de tegellijm.” Hiervoor zijn er meerdere oplossingen. Enerzijds kun je de ondergrond ‘voorspanen’ ofwel voorzien van een laag lijm die met de vlakke kant van de lijmspaan wordt uitgestreken. Anderzijds is er het dubbele verlijmen (floating buttering-methode). Dan wordt zowel de ondergrond als de achterzijde van de tegel ingesmeerd met lijm.

“Bij gebruik van een getande tegellijmspaan dient deze regelmatig op slijtage te worden gecontroleerd om te voorkomen dat de tegellijm in te dunne rillen wordt opgezet” Omdat de tanden van de lijmkam in direct contact komen met de vaak harde ondergrond kan een langdurig gebruik van dezelfde lijmkam leiden tot slijtage van de vertanding. Bij een 6x6x6 lijmkam breng je dan dus geen lijmril van 4 á 5 mm aan, maar één van hooguit 3 mm. Devies is dus om bij grotere werken tijdig een nieuwe lijmkam te gebruiken.

Bij groot formaat (en dus zware) tegels wordt het werken met truweel en dotten lijm nog al een gebruikt, omdat dit ze beter op hun plaats houdt. Zoals eerder benoemd, bereik je dan nooit de vereiste vullingsgraag en is de kans groot dat er hol klinkende ruimtes ontstaan. Naast dat dit hol klinken zeer vervelend is tijdens de levensduur van de vloer, leiden holle ruimtes vaak tot schades. De tegel kan daar breken als gevolg van een zwaardere belasting of bij buitenwerk verzadigen met water – wat weer tot vorstschade kan leiden.

Samenvattend
Een rode draad in veel van onze adviezen: bezint eer ge begint! Denk goed na, kijk naar de vlakheid van de tegel en ondergrond en naar het formaat. Kies een lijmkam in functie van een zo optimaal mogelijk contact tussen tegel en ondergrond. Met de juiste kam en aanbrengmethode kan het niet mis gaan. Dit staat los van een juiste keuze van soort lijm, hetgeen overigens minstens zo belangrijk is. Nog zo’n cliché, maar zeker ook hier weer van toepassing: een goede voorbereiding is het halve werk!

© OMNICOL  april 2019

Geplaatst in Tegeltechniek

maart 14th, 2019 door Omnicol

Het plaatsen van tegels over bestaande wand- of vloertegels is natuurlijk handig en scheelt werk en tijd. Bij de planning van het opnieuw betegelen van een ruimte moeten beslissingen worden genomen over de beste methode om dit te doen. Velen zijn van mening dat “tegels over tegels” de te volgen weg is, maar er zijn factoren waarmee rekening moet worden gehouden voordat deze techniek wordt toegepast. Om je beter te helpen beslissen, behandelen we wat voor- en nadelen alsook de aandachtspunten om de klus goed uit kunnen voeren.

De vraag: “Kan je over bestaande tegels heen tegelen?” kent meerdere antwoorden en invalshoeken. Technisch – natuurlijk kan het, maar in de praktijk is het misschien niet altijd de handigste oplossing. Het scheelt natuurlijk een hoop hak- en breekwerk en bovenal tijd. Geen afval, schoon werk en snel klaar, dat klinkt ons allemaal als muziek in de oren toch?

En tijd is geld, dat weten we allemaal.

Oeps, dat zijn veel vragen….
Wij ontvangen vaak de vraag: welke lijm kan ik het beste gebruiken? Dat is een voordehand liggende en terechte vraag. Echter komen er dan altijd best wel veel wedervragen. Wij sommen even op welke informatie nodig is om tot een goed advies te kunnen komen, en om deze ‘simpele’ vraag goed te kunnen beantwoorden:

Deze manier van betegelen hangt af van de staat van de bestaande tegels. Als deze versleten en beschadigd zijn door bijvoorbeeld vocht of grote oneffenheden vertonen, is het niet raadzaam om daar zomaar overheen te tegelen betegelen. Er zijn nog andere factoren, zoals gewicht en vochtopname, waardoor je je plan misschien moet heroverwegen.

Voordat je begint
Controleer eerst de huidige staat van de tegels. Dit is belangrijk, omdat ze de basis gaan vormen voor het nieuwe tegelwerk. Het tegelwerk moet goed hechten aan de ondergrond. Zijn de huidige tegels goed gelegd en zijn er geen holtes tussen de tegels en de basisvloer? Om te controleren op holle ruimtes kun je gewoon tikken en zoeken naar holle geluiden. Deze holtes worden meestal veroorzaakt door een gebrek aan lijm tussen tegels en ondervloer – en zijn dus ook nadelig voor de hechting. Omdat dit een nieuwe ondergrond wordt, is het handig wanneer deze wél goed bevestigd is.

Als de basis gipsplaat is (wand), denk dan aan het extra gewicht van de tweede laag tegels. Gipsplaat heeft een maximale gewichtsgrens van 25 kg per vierkante meter en het overschrijden van deze grens kan structurele schade veroorzaken.

Houd er rekening mee dat de vloer verhoogd wordt door het aanbrengen van de nieuwe tegels. Dit heeft invloed op deurkozijnen, keukenapparatuur en meubels, maar ook op aansluitingen en leidingwerk. Als je slechts een deel van de ruimte moet betegelen, is het vaak esthetischer om eerst de oude tegels te verwijderen omdat anders de overgang wel heel zichtbaar wordt.

Start als eerste met het vlekkeloos reinigen van bestaande keramische tegels. Deze stap is noodzakelijk en wordt vaak over het hoofd gezien. Vet en/of stof maakt het moeilijker voor de tegellijm om te hechten. Gebruik hiervoor de juiste professionele reinigingsmiddelen. Soms kan het zelfs noodzakelijk zijn om de vloer eerst (stofvrij) te stralen.

Vlakheid?
Als de bestaande vloer ongelijkmatig is, zal de nieuwe tegelvloer dat ook zijn. Tref je grote beschadigingen, gaten of andere oneffenheden aan in de ondergrond? Zorg er dan voor dat je deze eerst egaliseert voordat je verder gaat. Normaal gezien mogen we ervan uitgaan dat een tegelvloer of betegelde wand al wel mooi vlak en strak is. Maar let op: als er scheuren in de ondergrond zitten, is het handig om te weten wat daarvan de oorzaak is. Probeer dit te achterhalen en de oorzaak daarvan te elimineren. Het zou zonde zijn als deze straks opnieuw zichtbaar zouden worden in de nieuwe laag tegels, toch?

Stap 3 is de voorbehandeling met voorstrijkmiddel. Altijd te doen voor het beste resultaat. Er zijn speciale voorstrijken die voorzien zijn van grovere korrels. Deze zorgen ervoor dat het vaak gladde tegelwerk niet alleen stroever wordt, maar ook dat het hechtingsoppervlak groter wordt. Bijkomend voordeel is dat het aanbrengen van voorstrijk een controlemiddel is om te zien of je goed gereinigd hebt. Op een nog vettige ondergrond zal ook de voorstrijk niet hechten en ongelijkmatig drogen.

Het lijmen van tegels 
Niet elk type lijm is geschikt voor het betegelen over bestaande tegels. Omdat een tegel is gemaakt om vocht te verdragen en zo min mogelijk water op te nemen, zullen de eenvoudigere lijmen niet werken. Bestaand tegelwerk wordt gezien als een ‘gesloten’ ondergrond die dus weinig tot geen vocht kan opnemen. Dit in combinatie met de steeds harder wordende tegels die ook vochtongevoelig zijn, maakt dat er kritisch gekeken moet worden naar de lijmkeuze. De betere en gemodificeerde lijmen (poeder of pasta – pasta alleen met wandtegels met een zuigende scherf op een wand) kunnen deze klus perfect klaren. Gebruik de juiste vertanding van de lijmkam en voorkom dat de ‘open tijd’ van de lijm wordt overschreden. Met een vloeiende schuivende beweging de tegels in de lijm aanbrengen en goed aandrukken. Dit wijkt allemaal niet af van het goede vakmanschap en het normaal verlijmen van tegels. Doordat de droging van de lijmlaag wat langer zal duren moet je ook iets langer wachten met het invoegen.

Tegel-over-tegel is makkelijk? Dat kunnen we met een volmondig JA beantwoorden. Het is vaak sneller en praktischer en scheelt een hoop breekwerk en afval. Met bovenstaande punten van aandacht in het achterhoofd kan het bijna niet meer fout gaan. Succes!

© OMNICOL  maart 2019

Geplaatst in Tegeltechniek

februari 7th, 2019 door Omnicol

Klopt helemaal, het lijmen van tegels is op zich helemaal niet zo moeilijk. Zeker als we het vergelijken met de methodes die vroeger gehanteerd werden, zoals het zetten en leggen in de specie. Dat is een vakmanschap dat door nog maar weinigen beheerst wordt. Maar ook lijmen kent zo zijn specifieke aandachtspunten.

Oeps, dat zijn veel vragen….
Wij ontvangen vaak de vraag: welke lijm kan ik het beste gebruiken? Dat is een voordehand liggende en terechte vraag. Echter komen er dan altijd best wel veel wedervragen. Wij sommen even op welke informatie nodig is om tot een goed advies te kunnen komen, en om deze ‘simpele’ vraag goed te kunnen beantwoorden:

• Wat voor tegel is het?

• Keramisch, natuursteen
• Gladde of geprofileerde rugzijde

• Afmeting tegel

• Klein bv mozaïek
• Grootformaat bv. 80x80cm of nog groter
• Gewicht
• Gerectificeerd of niet

• Welke ondergrond betreft het

• Materiaal van de ondergrond
• Regelmatigheid/vlakheid

• Is het een vloer of een wand?

• Welk legpatroon had u in geachte?

• Standaard, diagonaal, romaans verband…..

• Welke ruimte betreft het?

• Woonkamer
• Badkamer
• Zwembad
• Garage….. etc.
• Of buiten?

• Speelt waterwerendheid of zelfs waterdichtheid een rol
• Hoeveel hoogte is er beschikbaar voor de afwerking met tegels
• Snelle ingebruikname of tijd genoeg?
• Aan wat voor voeg is gedacht?

• Smal, breed, minimaal

Het verschil tussen pasta en poeder uitgelegd.

In dit artikel behandelen we dit aspect alvast. Wederom een veel gehoorde opmerking: “En die pastalijm dan, dat is kant en klaar spul in een emmer. Wat is daar nu ingewikkeld aan?”
Het antwoord hierop willen wij graag toelichten.

Een gefundeerde keuze tussen de beide lijmsoorten (poeder of pasta) is niet altijd te maken. De factor gebruiksgemak weegt soms zwaarder dan prijs, de keuze voor snel werken wordt vaak onmogelijk gemaakt doordat de ondergrond specifieke lijmtoepassingen vereist.
Pastalijmen zijn direct klaar voor het gebruik. Bij deze lijm heeft u vrijwel geen restafval en kunt u na beëindiging gewoon de deksel terug op de emmer doen, zodat de overgebleven lijm kan worden bewaard.

Ze zijn echter uitsluitend geschikt voor het gebruik op de wand EN vereisen een vlakke ondergrond. Daardoor is het rendement hoog. Praktisch alle ondergronden (behalve metaal) zijn geschikt. Pastalijm mag op een gips houdende ondergrond worden toegepast – een poederlijm mag dat niet zondermeer. Poederlijmen zijn er voor wanden en vloeren. Door de grotere toepasbare laagdikte kunnen de ondergronden minder vlak en zelfs ongelijk zijn. Een poedertegellijm mag ook nooit direct op gipsachtige ondergronden worden toegepast.

Pastalijm is lucht verhardend en heeft daarom een relatief lange droogtijd. Vandaar dat men in dunne lagen moet werken met een aparte lijmkam. Bij de poederlijm vindt naast luchtdroging ook hydraulische afbinding plaats, waardoor afhankelijk van het type lijm, korte tot zeer korte droogtijden mogelijk zijn.
Pastalijmen geven al snel een tijdsbesparing door het niet aanmaken, minder opbrengen, minder reiniging, uitstekende standvermogen en het ontbreken van afval. Deze voordelen dienen in de prijsoverwegingen (pasta is vaak duurder in aanschaf dan poeder) te worden meegenomen. Ook handig te weten is dat de pasta’s ééncomponentige producten zijn. Discussies over foutieve aanmaak of mengverhoudingen worden daarmee vermeden.

Best eenvoudig toch? Het is maar dat je het weet!

© OMNICOL februari 2019

Geplaatst in Tegeltechniek

november 5th, 2018 door Omnicol

 

Inloopdouches hebben enorm aan populariteit gewonnen en worden nu meer toegepast dan de voormalige geëmailleerde of kunststof douchebak. Want het is natuurlijk mooi als de tegelvloer doorloopt tot in de douche. Ook de opkomst van mooie douchegoten in velerlei vormen zorgen ervoor dat we deze soort douches steeds vaker tegenkomen in de moderne badkamer.

Wat verstaat men onder een inloopdouche?
De term dekt alle douches zonder drempel of met een drempel van zeer beperkte hoogte. De ondergrond waar de tegels op geplaatst worden, bestaat doorgaans uit een cementdekvloer, betegelbare bouwplaten of een geprefabriceerde douchebak op tegelhoogte geplaatst.

We gaan hier kort en bondig wat dieper in op de manier waarop de waterdichting ervan tot stand gebracht moet worden. Want op een lekkage zit niemand te wachten en met een beetje aandacht kan dit zondermeer voorkomen worden.

Waterdichting = aandacht voor de details!
Voor betegelde inloopdouches mag je niet rekenen op de waterdichtheid van de tegels en het voegwerk. Om iedere insijpeling van water te kunnen keren, gaan we de hele constructie vanaf de onderste laag we zorgvuldig opbouwen. De ondergrond moet dus als eerste beschermd worden tegen vochtindringing, maar ook de verticale wanden en de locatie van de aansluitingen. Zelfs bij gebruik van plaatsings- en voegproducten met een hoge waterbestendigheid of beweerde waterdichtheid, kan het risico op een vochtinfiltratie via eventuele scheurtjes tussen de tegels en het voegmateriaal nooit volledig uitgesloten worden.

De manier waarop de douchewanden, de douchevloer en hun onderlinge aansluitingen waterdicht gemaakt moeten worden, is afhankelijk van de gekozen opbouw van de douche.

Er zijn drie te onderscheiden types:

1. Inloopdouches met betegelbare bouwplaten
De bouwplaten, die als ondergrond dienen voor de tegels, moeten verwerkt worden volgens de richtlijnen van de fabrikant. Daar waar de platen zelf normaal gesproken over voldoende waterbestendigheid beschikken, is dit natuurlijk veel minder het geval voor de aansluitingen en de voegen tussen de platen. Voor de onderlinge aansluiting van de platen wordt er in de regel gebruikgemaakt van meegeleverde lijm of kit. Om de voegen tussen de platen dan weer waterdicht af te werken, wordt er teruggegrepen naar afdichtingsbanden en coatings. Gebruik voor de afdichting de juiste producten. Dit geldt zowel voor de aansluitingen tussen de bouwplaten en de badkamervloer, als voor de aansluiting bij de gekozen afvoer en de aansluitingen tussen de bouwplaten en de wanden.

2. Inloopdouches met een geprefabriceerde douchebak
Voor het waterdicht maken van inloopdouches met een geprefabriceerde douchebak gelden dezelfde aanbevelingen als voor de afdichting rondom badkuipen. Men dient erop toe te zien dat de waterdichting van de wanden rondom de douchebak goed op de bak aansluiten. Hiermee voorkom je dat het afstromende water tussen de douchebak en de wand kan lopen. De voeg tussen de douchebak en de wand kan op verschillende manieren afgedicht worden: met een profiel of met een rugvulling die verder afgewerkt wordt met een soepele voegkit. Indien de douchebak fabrieksmatig voorzien werd van een voorverlijmde afdichtingsdoek (een wachtslab), dien je deze te verbinden met de waterdichting van de wand.

3. Inloopdouches met een betegelde dekvloer
Om de ondergrond bij dit type inloopdouche tegen vochtinfiltraties te beschermen, zijn er verschillende producten op de markt. Omnicol heeft natuurlijk WD omnimat en toebehoren voor onder tegelwerk en de gekende Coat omnibind in haar programma, maar ook 2C R omnibind kan hier perfect worden toegepast. Indien je werkt met een vloeibaar aangebrachte of pastavormige waterafdichting (COAT omnibind), dien je de kritieke plaatsen (bijvoorbeeld ter hoogte van de hoeken en rondom de kranen en afvoeren) na het drogen van de primer te voorzien van vlies of band. Ook bestaan er voorgevormde hoeken en manchetten. Pas daarna breng je het waterdichtingssysteem over het hele oppervlak aan.

Ook wanneer het waterdichtingssysteem van de inloopdouche uit membranen bestaat, is de aansluiting met de aanliggende bouwdelen vaak een kritiek punt. Deze breng je aan met de coating en smeer je naderhand nog eens goed in. De randen van het membraan worden tot ongeveer 10 cm boven de afgewerkte betegeling opgetrokken, waarmee je als het ware een kuip vormt.

Ook de aansluiting tussen de dekvloer en de afvoer verdient bijzondere aandacht. De aansluiting rondom de afvoergoot wordt waterdicht gemaakt met behulp van een aangebracht membraan en naderhand nogmaals voorzien van een aparte epoxy-lijm.

Bijkomende aandachtspunten bij de afwerking
Om de correcte plaatsing van de douche­afvoer te kunnen garanderen, dient er een minimale dekvloerhoogte aanwezig zijn. De dekvloer moet immers niet alleen het waterslot, dat bij voorkeur minstens 5 cm hoog is, kunnen herbergen, maar dient tevens voor het inwerken van de afvoerleidingen. Deze worden met een helling van 1% geplaatst om ook grote hoeveelheden water, van bijvoorbeeld de regendouche, goed aan te kunnen.
De betegeling moet een minimale helling van 1,5% in de richting van de doucheafvoer hebben om voor een goede afvoer van water te kunnen zorgen.

We hebben het al eerder aangegeven: waterdichting begint bij de onderste laag en wordt zekerder naarmate het vaker herhaald wordt. Vandaar dat bij de opbouw in lagen, iedere laag op één of andere wijze wordt gewapend tegen het vocht. De veelheid aan barrières die zo worden ingebouwd zouden het tij moeten kunnen keren, zelfs als één der lagen zijn functie zou verliezen.
Vraag advies bij je Omnicol-adviseur, zij staan je graag bij met het maken van de juiste keuzes!

Bronvermelding: – WTCB-Dossiers 2017/2.9 – T. Vangheel & D. Nicaise

© OMNICOL november 2018

 

Geplaatst in Tegeltechniek